De kinderen zien hun vader afgevoerd worden, staan op appèl met hun moeders en werken in de verzengende hitte. Ze overleven het op een paar lepels stijfselpap en worden geconfronteerd met wreedheden, ziektes en eindeloze verveling. Hun verhalen zijn persoonlijke getuigenissen van ontberingen en trauma’s, maar ook van overlevingskracht, inventiviteit en kinderlijke verbazing.
Terwijl de verhalen zich steeds meer richten op wat binnen het kamp gebeurt – een gestolen tomaat, de noodzaak om niet op te vallen – raakt buiten de omheining de wereld in een stroomversnelling. Een nieuwe politieke realiteit tekent zich af. Het Indonesische nationalisme wordt door de Japanners aangewakkerd en met de bevrijding van augustus 1945 raken de twee werelden elkaar. De kamppoort gaat open, maar daarbuiten blijken de Nederlanders vogelvrij. Dit is het moment van de grootste anticlimax; het paradijs van voor de oorlog komt nooit meer terug.Langzaam groeit het besef dat alleen in Nederland nog plaats voor ze is.
Met veel bijzonder archiefmateriaal, onder andere afkomstig uit privécollecties van de overlevenden.